Nieuws april 2026

apr 2, 2026
|
Ingezonden door: super
|
Categorie: Actualiteiten

Lijfrenten en echtscheiding

1 Inleiding

Een stel is gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. In het verleden heeft de man, in aanvulling op de AOW en het pensioen dat hij bij zijn werkgever opbouwt, een lijfrenteverzekering gesloten. Hij betaalt hier jaarlijks premie voor. Die premie trekt hij ook telkens af in zijn aangifte inkomstenbelasting. Man en vrouw besluiten om te gaan scheiden en dus zal de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld moeten worden. Wat zijn in dat kader de mogelijkheden voor de lijfrenteverzekering?

 

 

2 Hoofdregel en uitzondering

Volgens de hoofdregel van artikel 3.133, Wet IB 2001 is (gedeeltelijke) overdracht van de lijfrenteaanspraak aan de partner niet toegestaan. Gebeurt dat toch, dan worden er negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in rekening gebracht, dat wil zeggen de overgedragen aanspraak wordt in Box 1 belast. Bovendien wordt er 20% revisierente berekend (artikel 30i, AWR). Maar bij echtscheiding geldt er een uitzondering. In het kader van de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap bij echtscheiding kan een lijfrenteverzekering geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan de ex-partner zonder dat er negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden vastgesteld (artikel 3.134, lid 2, Wet IB 2001).

Oplossingen kunnen dan zijn:

  • Overdracht van het verzekeringnemerschap;
  • Het splitsen van de lijfrenteverzekering;
  • Het (gedeeltelijk) overboeken van het lijfrentekapitaal naar een andere lijfrenteverzekering of lijfrenterekening; of
  • Het op de polis aanwijzen van de ex-partner tot onherroepelijk begunstigde voor het lijfrentekapitaal.

 

3 Fiscale gevolgen zijn er mogelijk altijd

Dat niet tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen wordt geconcludeerd én gaan revisierente in rekening wordt gebracht, wil niet zeggen dat er geen (andere) fiscale gevolgen zijn.

Stel de man blijft verzekeringnemer en de ex-partner wordt op een andere wijze, in geld of goederen, gecompenseerd. Vanwege de bestaande huwelijksgoederengemeenschap is de ex-partner voor de helft gerechtigd tot de waarde van het lijfrentekapitaal. Daar ziet zij van af, in ruil voor geld of goederen. Wat zij daarvoor dan verkrijgt wordt bij haar belast als periodieke uitkering (artikel 3.102, lid 3, Wet IB 2001). Hetzelfde bedrag is bij de man fiscaal aftrekbaar als persoonsgebonden aftrekpost (artikel 6.3, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001). Doen beiden dit in het jaar van echtscheiding én kiezen zij in dat hele jaar nog voor fiscaal partnerschap (gehele jaar) voor de verdeling van gemeenschappelijke inkomsten (artikel 2.17, lid 7, Wet IB 2001), dan kan de persoonsgebonden aftrekpost worden toegerekend aan ex-partner. In dat geval heeft de ex-partner zowel de belastingheffing alsook de persoonsgebonden aftrekpost. Maar ook dan hoeft er nog niet helemaal sprake te zijn van een fiscaal neutrale afwikkeling. Belastingheffing over de periodieke uitkering vindt in Box 1 namelijk plaats tegen maximaal 49,50% terwijl een persoonsgebonden aftrekpost tegen maximaal 37,56% in Box 1 in aanmerking wordt genomen. Bovendien is de ex-partner mogelijk 4,85% bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd over (een deel van) het bedrag dat als periodieke uitkering bij haar wordt belast.

 

4 Fiscaal neutrale uitwerking

Een fiscale neutrale verdeling valt eigenlijk maar op één manier te bereiken: delen door twee waardoor ieder een halve lijfrenteaanspraak krijgt. Als er nog een andere lijfrenteverzekering is met (ongeveer) dezelfde waarde zouden man en vrouw er ook voor kunnen kiezen om de ene lijfrente aan de één toe te bedelen en de andere lijfrente aan de ander.

Wat hiervoor is gezegd over een lijfrenteverzekering geldt ook voor de lijfrenterekening of het lijfrentebeleggingsrecht. Aandachtspunt daarbij is dat een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht geen begunstiging kent.

 

5 Aandachtspunt

Niet alles wat de fiscale wetgever aan mogelijkheden biedt wordt ook uitgevoerd. Daarom is het goed om de te maken afspraken in het echtscheidingsconvenant in lijn te brengen met de uitvoeringspraktijk. Voor lijfrenteverzekeringen kan bij sommige verzekeraars op de polis een (gedeeltelijke) onherroepelijke begunstiging van de ex-echtgenoot voor het lijfrentekapitaal worden aangetekend. Voor lijfrenterekeningen geldt mogelijk dat het saldo op de rekening geheel of gedeeltelijk kan worden gestort op een (nieuw te openen) lijfrenterekening op naam van de ex-partner.

 Overdracht van lijfrentekapitaal kan in beginsel alleen plaatsvinden in het kader van de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap. Behoort de lijfrente niet tot de huwelijksgoederengemeenschap, of is er zelfs helemaal geen huwelijksgoederengemeenschap, dan valt er op dit punt ook niks over te dragen. Dat principe leidt uitzondering als er een gerechtelijk vonnis aan de beoogde verdeling ten grondslag ligt of wanneer de waarde van een lijfrente moet worden verrekend op grond van een contractueel verrekenbeding of een ander beding (zie onderdeel 11.1 Lijfrenteverzamelbesluit 2025). Ook voor samenwoners geldt nog een uitzondering. Deze is terug te vinden in onderdeel 12 Lijfrenteverzamelbesluit 2025.

Voor meer informatie verwijzen wij verder graag nog naar het standpunt van de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting van de Belastingdienst met nummer KG:070:2025:1.

 

Disclaimer

De in dit memorandum opgenomen informatie is van algemene aard en heeft geen betrekking op de specifieke omstandigheden van een bepaald individu of een bepaalde entiteit. Hoewel bij de totstandkoming van dit memorandum de grootst mogelijke zorgvuldigheid is betracht, kunnen wij niet garanderen dat de daarin opgenomen informatie op de datum van ontvangst juist en volledig is of dat in de toekomst zal blijven. Op grond van deze informatie dient geen actie ondernomen te worden zonder adequate professionele advisering na een grondig onderzoek van de specifiek van toepassing zijnde situatie.